Winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg

 

Edelstenen: Korundgroep (Robijn en Saffier)









Korund
Binnen de korundgroep zijn er twee kleurvariëteiten die gebruikt worden voor sierdoeleinden, de rode robijn en de saffier (die elke andere kleur kan omvatten).
Gewone korund, dus de lage kwaliteit die niet voor sierdoeleinden geschikt is, wordt als slijp- en polijstmiddel gebruikt.

Robijn
Robijn dankt zijn naam aan de rode kleur (in het Latijns ‘rubens’). Afhankelijk van het afzettingsgesteente waarin de robijn gevonden is kan de rode kleur iets afwijken.
De benamingen ‘Birmarobijn’ en ‘Siamrobijn’ zijn daarom dus ook misleidend en kunnen beter beschouwd worden als een kwaliteitsaanduiding in plaats van een vindplaatsaanduiding.
De meest begeerde is de zogenaamde duivenbloedkleur, zuiver rood met een lichte blauwe zweem.
De kleurverdeling van robijnen is vaak ongelijk, streperig of vlekkerig. De kleurgevende stof in robijn is chroom, waarbij een blauwe tint duidt op de aanwezigheid van ijzer.
Ruwe robijnen zien er vettig en dof uit, maar door het slijpen krijgen ze een glans die lijkt op diamant.
Door stenen van een lage kwaliteit te branden wordt een mooiere kleur verkregen.

ruwe robijngeslepen robijnsterrobijn

Robijn is op diamant na het hardste mineraal, waarbij wel opgemerkt moet worden dat diamant 140 maal zo hard is.
Robijn is zeven maal zo hard als topaas, het eerstvolgende mineraal op de schaal van Mohs (hardheid).
Robijnen bevatten over het algemeen erg veel insluitsels. Deze zijn overigens geen kwaliteitsvermindering maar eerder een garantie van echtheid tegenover synthetische stenen.
Ingesloten rutielnaaldjes kunnen, afhankelijk van het slijpen, een kattenoogeffect of zelfs een asterisme met zesstralige ster veroorzaken.

De winning van robijnen
Robijn komt voornamelijk voor in gedolomitiseerd marmer, gneis en amfiboliet. Meestal is het robijngehalte hierin echter te gering voor een economische exploitatie.
Door het grote soortelijke gewicht worden de robijnen door het wassen van riviergrind, zand en lemig verweringsmateriaal tot een bepaalde graad geconcentreerd en vervolgens met de hand uitgezocht.
Bij veel mijnen komt machinale ontginnen bijna niet voor en wordt bijna net zo primitief gewerkt als honderden jaren geleden.

De belangrijkste robijn-afzettingen liggen in Birma, Thailand, Sri Lanka en Tanzania.
Al eeuwen wordt in Opper-Birma in de buurt van Mogok de meest waardevolle duivenbloed robijnen ontgonnen uit een laag die slechts enkele meters onder het oppervlak ligt.
Hooguit 1 procent van de vondsten is geschikt als sierraad, en grote stenen zijn uiterst zeldzaam.
Thaise robijnen zijn meestal donkerder van kleur met een zweem naar bruin of violet en worden ten zuidoosten van Bangkok gewonnen uit kleiig puin.
De robijnen uit de afzettingen in het district Ratnapura in Sri Lanka zijn overwegend lichtrood tot framboosrood.
Sinds het begin van de jaren ’50 wordt in Noord-Tanzania in een fraai, groen gesteente behoorlijk grote enigszins ondoorzichtige robijnen gevonden welke als decoratieve stenen gebruikt worden.
In de Umba-rivier in het noordoosten worden echter ook robijnen van edelsteenkwaliteit gevonden die een violette tot bruinrode kleur hebben.
Ook dichter bij huis komen robijnafzettingen voor, zij het in veel kleinere mate, namelijk in Zwitserland, Noorwegen en
aan de zuidwestkust van Groenland (in het Discovery programma Ice Cold Gold gaan de gelukszoekers ook naar robijnen op zoek).

Het slijpen van robijnen
Tegenwoordig worden robijnen meestal geslepen in het land van herkomst, waarbij voornamelijk gestreefd wordt naar het behoud van een zo groot mogelijk gewicht.
Helaas komt dit de proporties en vorm regelmatig niet ten goede waardoor veel stenen in Europese slijperijen opnieuw geslepen worden.
Doorzichtige stenen krijgen meestal een trappen- of briljantslijpsel. Troebele stenen worden gewoon tot cabochons geslepen.
De eens zo belangrijke toepassing van natuurlijk robijnen in klokken en als lagerstenen is inmiddels vervangen door de komst van synthetische robijnen.
Er zijn talrijke imitaties van robijnen op de markt, van synthetische robijnen en glasimitaties tot doubletten met een bovendeel van granaat en een benedendeel van glas.
Deze ze meestal goed te herkennen aan het gebrek aan insluitsels en aan het feit dat ze, in tegenstelling tot natuurlijke robijnen, kortgolvig ultraviolet licht doorlaten.

Saffier
De naam saffier betekent ‘blauw’ in het Grieks en werd vroeger voor verschillende stenen gebruikt.
Omstreeks 1800 werd bekend dat saffier en robijn edelsteenkwaliteiten van korund zijn.
Aanvankelijk kreeg alleen de blauwe korund soort de benaming saffier, en kregen alle andere kleuren (behalve rood) andere benamingen.
Deze benamingen waren vaak echter erg verwarrend door hun verwijzing naar andere edelsteensoorten.

Tegenwoordig verstaat men onder saffier alle niet-rode korundsoorten.
De naam saffier betekent altijd de blauwe kleurvariëteit. Bij andere kleuren duidt een bijvoeglijk naamwoord de kleur aan,
bijvoorbeeld leucosaffier (Grieks voor ‘wit’) voor de kleurloze variant en padparadscha voor de roodachtige tot oranjegele soort (Singalees voor ‘lotusbloem’).

diverse saffier edelstenen

Een duidelijke grens tussen saffier en robijn bestaat eigenlijk niet waardoor lichtroze,
roze of violette korund tot saffier gerekend wordt omdat deze in de robijn-groep tot de lage kwaliteit gerekend zouden worden.
Net als bij robijnen kunnen rutielnaaldjes voor een kattenoogaffect of een zesstralige ster zorgen als de stenen op de juiste manier geslepen worden.
De kleurende stoffen in korund zijn ijzer en titaan voor de blauwe saffier, vanadium voor violette saffier,
driewaardig ijzer geeft een groene kleur, chroom zorgt voor roze tinten en chroom, ijzer en vanadium zorgen voor oranje kleuren.
Het zuiver korenbloemblauw is de meest gewilde saffierkleur. Bij kunstlicht kunnen bepaalde saffieren inktkleurig of zwartblauw lijken.
Door troebele saffieren met een onopvallende kleur met een temperatuur van 1700-1800 graden te verhitten kan in sommige gevallen een duurzame heldere blauwe verkregen worden.

De winning van saffier
Saffier komt voornamelijk voor in gedolomitiseerde kalksteen, marmer, basalt of pegmatiet voor en wordt meestal op zeer eenvoudige wijze gewonnen.
Met de hand worden grote gaten gegraven of zelfs een hele helling weggeruimd waarna de onderliggende ‘aders’ bloot komen te liggen.
Zand, klei en kiezel worden van de edelstenen gescheiden door het uitwassen van de edelstenen op basis van het hogere soortelijk gewicht.
De laatste scheiding gebeurt handmatig.


Saffier komt veel meer voor dan robijn omdat de kleurende stoffend die in robijn zitten veel minder voorkomen dan de andere kleurende stoffen.
De belangrijkste vindplaatsen van saffier liggen in Australië, Birma, Sri Lanka en Thailand.
De saffieren uit Queensland in Australië zijn van matige kwaliteit en kleuren in kunstlicht inktkleurig tot bijna zwart.
Tegenwoordig worden in Queensland ook zwarte stersaffieren gevonden. In Nieuw-Zuid Wales worden blauwe saffieren gevonden die wel een goede kwaliteit hebben.
In Sri Lanka wordt in het gebied rondom Ratnapura een grote variëteit aan gekleurde saffieren gevonden.

De meest gewilde saffierkwaliteiten kwamen vroeger uit Kashmir/India waar op ruim 5000 meter hoogte in het Zaskargebied een aantal afzettingen liggen.
Tegenwoordig schijnen deze afzettingen te zijn uitgeput en komen de korenbloemblauwe saffieren die als Kashmirsaffieren aangeboden worden meestal uit Birma.
Door de vele kleuren waarin saffier voorkomt zijn er veel verschillende edelstenen die foutief als saffier aangeboden kunnen worden.
Sinds het begin van de vorige eeuw worden er ook synthetische saffieren geproduceerd die eigenschappen hebben die zeer sterk lijken op de van natuurlijke saffieren.
Ook worden er doubletten gemaakt uit verschillende materialen, zelfs uit twee kleinere saffieren.
Stersaffieren worden ook nagemaakt door het inkrassen van sterren op de onderkant van een synthetische of glazen cabochon.